Antwerpen
Antwerpen (Frans: Anvers) is de hoofdstad van de gelijknamige Belgische provincie Antwerpen en het gelijknamige arrondissement Antwerpen. Antwerpen telt ca. 472.000 inwoners (1 jan. 2008), die Antwerpenaars[1] worden genoemd, en is daarmee qua inwonertal de grootste gemeente in België. Naar oppervlakte is Antwerpen de op twee na grootste gemeente in België, na Doornik en Couvin. Oorspronkelijk was het gebied van de stad niet groter dan de postzones Antwerpen 0, 1 en 6 binnen het district Antwerpen. De stad is ook zetel van het Rooms-Katholieke bisdom Antwerpen en het Anglicaanse aartsdekenaat Noordwest-Europa.
Antwerpen ligt grotendeels op de rechteroever van de Schelde en is bekend om zijn uitgestrekt havengebied met internationaal vrachtvervoer. Sinds de jaren 90 staat de stad ook bekend als modestad, door enkele succesvolle studenten van de Modeacademie.
De inwoners van Antwerpen worden ook wel Sinjoren genoemd, naar het Spaanse woord señor. De stad zelf wordt door sommige van haar inwoners afgekort 't Stad en soms de koekenstad (naar de Antwerpse koffiekoeken) genoemd.
Antwerpen heeft een lange geschiedenis. Van een klein dorp werd het ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog de grootste stad van de Zeventien Provinciën. Vooral het Antwerpen van Karel V en de vroege jaren van Filips II in de 16e eeuw was een zeer welvarende en bijzonder belangrijke havenstad, die een tijdlang de toon aangaf in West-Europa.
Omstreeks 1400 was Antwerpen nog een betrekkelijk kleine stad, met nog geen 10.000 inwoners. In de 15e eeuw begon de stad zich echter bliksemsnel te ontwikkelen tot één van Europa's grootste handelssteden. In 1500 had de stad ongeveer 50.000 inwoners, omstreeks 1560 werd het aantal van 100.000 bereikt. Antwerpen kan met enig recht de geboorteplaats van de vrije markt genoemd worden, omdat in die tijd de handelaren van Antwerpen een aantal praktijken invoerden die nu nog een deel van het economisch systeem vormen, bijvoorbeeld het aandeelhouderschap en de effectenbeurs. Hand in hand met de toenemende welvaart kende Antwerpen een ongekende culturele bloei. Vooral de schilderkunst nam een hoge vlucht in de zestiende en zeventiende eeuw.
Halverwege de 16e eeuw begon het calvinisme grote aanhang te krijgen in de stad. Bij een omstreeks 1580 door stadhouder Willem van Oranje georganiseerde godsdiensttelling bleek 33% van de bevolking aanhanger te zijn van het calvinisme, 17% van het lutheranisme en 50% van de katholieke Kerk.
De troebelen van de opstand tegen Spanje hebben de stad grote schade berokkend. In 1576 werd de stad geplunderd door muitende Spaanse huursoldaten, die 7000 burgers vermoordden (Spaanse furie). De stad sloot zich vervolgens aan bij de Pacificatie van Gent en was gedurende de komende 9 jaar min of meer de hoofdstad van de anti-Spaanse opstand. In 1585 werd Antwerpen door de Spaanse stadhouder Alexander Farnese, hertog van Parma, veroverd na een beleg dat meer dan een jaar had geduurd. Na die verovering is ongeveer de helft van de bevolking naar Holland vertrokken. Het bevolkingscijfer daalde tot 45.000. Hollandse en Zeeuwse schepen versperden de Scheldemonding en sloten de thans in Spaans bezit zijnde stad af van de overzeese handel. De Antwerpse bloeiende handel, kunsten en wetenschappen werden verder ontwikkeld in de Hollandse "gouden eeuw".
In de komende twee eeuwen zou Antwerpen niet meer de bloei van de voorafgaande periode bereiken, maar het zou overdreven zijn te zeggen dat de stad wegkwijnde.
Antwerpen bleef één van de belangrijkste economische en culturele centra van de Spaanse, en later Oostenrijkse Nederlanden. Het bracht in die periode grote schilders voort als Rubens, Jordaens en Teniers. Als rooms-katholiek bolwerk in de Contrareformatie kwamen er grootse kunst- en bouwwerken tot stand, voornamelijk in Barokke stijl.

